‘Die sporen zijn er, want Hij is er.’

Afgelopen maand werd in verschillende Antwerpse districten - waaronder Deurne - herdacht en gevierd hoe zij eind 1944 bevrijd werden. Bevrijd van de bezetting door het Duitse Rijk. Bevrijd door soldaten die dienden in de legers van de geallieerden - afkomstig van over de hele wereld en ingezet aan het West-Europese front. Zo’n herdenking was er ook aan de als monument opgestelde tank in het park voor onze deur. De straat was door de politie afgesloten voor het verkeer. Er was een officiële plechtigheid inclusief het neerleggen van bloemenkransen, vlaggenvertoon, muziek en ronkende toespraken. 

Daags nadien kon je er gewoon weer langsfietsen. Geen politie, alle afsluitingen verwijderd, de straat netjes geveegd. Een ondertussen verslenste bloemenkrans sierde nog een van de rupsbanden van de tank. Waarschijnlijk wordt die binnenkort deel van het zwerfvuil dat zich daar regelmatig ophoopt tot de stadsdiensten ingrijpen. Die aanblik trof mij. Niet die van de herdenking, maar die van  het wat verloren ogende monument zoals het er het grootste deel van het jaar staat. Regelmatig dient het als klimrek voor kinderen uit de buurt, of als decor voor een stoere familiefoto. Af en toe vraagt een van onze kinderen meer uitleg: ‘Waarom staat die tank hier eigenlijk?’ ‘Kan die nog rijden?’ ‘Is die hier achtergebleven na de oorlog?’ ‘Denk je dat ik op dat kanon kan klimmen?’ Enzovoort. Die vragen bieden mij de kans om te vertellen over een oorlog met een omvang dat die de naam ‘wereldoorlog’ meekreeg, over hoe die oorlog ook hier gevochten werd, over nog veel meer. Meestal staat mijn antwoord niet in verhouding tot hun effectieve interesse - op zo’n moment krijgt de historicus in mij even de vrije teugel. 

De aanblik van dat monument herinnerde mij aan een preek die ik onlangs hoorde. Daarin had de predikant het ook over een monument. Hij schetste in zijn preek het beeld van een gezin dat langs de Jordaan wandelt en een ietwat vreemde compositie van twaalf stenen tegenkomt. De jongere kinderen beginnen er op te klauteren. De oudere voelen zich daar al wat te groot voor, al kriebelt het wel om toch een poging te wagen. ’Waarom staan die stenen hier eigenlijk?’ ‘Later ben ik zo sterk dat ik er zeker een op kan tillen!’ ‘Wie heeft die hier neergezet?’ ‘Denk je dat ik helemaal op die hoogste kan klimmen?’ En dan vertellen de ouders. Niet over een oorlog, maar over een God. Over hoe God ooit de kolkende stroom van de Jordaan deed droogvallen, hoe Zijn ark door de priesters het machtige water ingedragen werd, hoe een heel volk langs die ark heen over de rivierbedding trok, een nieuw thuisland in, hoe twaalf sterke mannen elk een flink rotsblok uit die rivierbedding optilden, het meezeulden naar de oever en het naar neerplantten, hoe als allerlaatste de ark het nieuwe land ingedragen werd. Hoe God het volk bij die oversteek omgaf - Hij ging voor, Hij liep naast, Hij was achter hen - tot ze hun nieuwe Godgegeven thuis betraden. Voor Zijn volk de woestijn verliet en de Jordaan overstak, had God beloofd dat Hij er bij zou zijn. We kunnen erover lezen in de eerste vier hoofdstukken van het boek Jozua.  

God hield woord. Hij was er bij. Hij stak over met Zijn volk. Die twaalf opgerichte stenen verkondigen dat goede nieuws generaties later nog. 

God houdt nog steeds woord - Hij is er bij. Hij is met ons, doorheen ons hele leven, doorheen de dood. Hij garandeert ons een veilige oversteek. Hij is erbij, helemaal, tot Hij ons thuisgebracht heeft. 


Het zette mij aan het denken. In onze huidige samenleving is het op het eerste zicht moeilijk om monumenten te vinden die ons bepalen bij de daden Gods. Onze samenleving, zo wordt breed aangenomen, is gegrondvest op ons eigen menselijke kunnen. Onze monumenten en standbeelden onderschrijven die lezing van de geschiedenis. Een geschiedenis waarin God geen rol lijkt te spelen. 

Ik ben opgegroeid in West-Vlaanderen. Meer dan in Antwerpen is het de Groote Oorlog, de eerste ‘wereldoorlog’ die daar sporen nagelaten heeft. Meer dan een eeuw later is het op satellietbeelden nog altijd zichtbaar waar de loopgraven gelegen hebben. Tot vandaag wordt er nog onontplofte munitie gevonden. Soldatenkerkhoven zijn wijdverspreid. Ook op die begraafplaatsen trekken veel monumentale elementen de aandacht. De hand van God lijkt ook daar afwezig. Tenzij je de tijd neemt om voorbij de standbeelden, altaar-achtig aandoende stenen, kolommen met zwaarden en wat dies meer zij te kijken, de rijen graven afwandelt en stilstaat bij de jonge jongens en mannen die daar liggen. Op veel van die kerkhoven liggen ook mensen begraven van wie niemand kon achterhalen wie ze waren. Geen naam, geen leeftijd, geen plaats van herkomst, geen gekende religieuze overtuiging, geen militaire eenheid waarin ze dienden op het moment dat ze dit leven achterlieten. Een gestorven mens, een anoniem graf. Op Britse begraafplaatsen staat op die graven de inscriptie known unto God - ‘gekend door God’, een formule waarin verschillende Bijbelteksten (Handelingen 15:18 en Filippenzen 4:6) doorklinken. God was inderdaad niet afwezig in al die onvoorstelbare gruwel. Hij was er bij. 

Ook vandaag gebeuren er wonderen waarin Zijn hand duidelijk zichtbaar is, maar evengoed gebeurt er vandaag ook heel veel waarbij Hij in geen velden of wegen te bespeuren lijkt. Hoe het ook zij, ook vandaag is Hij er bij - Hij heeft het beloofd. Daar mogen we op scherpstellen, dat mogen we leren zien. Op weg naar school, werk, winkel of kerk; in onze eigen levens en die van onze naasten; in de grote gebeurtenissen in onze samenleving en in de wereld. Het kan ons even kosten om voorbij de onophoudelijk om aandacht schreeuwende beelden, stemmen en woorden te kijken en oog te krijgen voor de sporen van Zijn aanwezigheid. Maar die zijn er, meer dan we op het eerste zicht zouden verwachten, want Hij is er - Hij heeft het beloofd.

Willem

Willem is opbouwwerker in onze gemeente. Hij ondersteunt ons bij het in praktijk brengen van het geloof in het dagelijkse leven en zoekt naar mogelijkheden om als gemeente bij te dragen aan het welzijn van de stad. Hij is de echtgenoot van Inge en vader van Vik en Aron.

Volgende
Volgende

‘Te veel, te weinig ’