‘… zou Ik dan geen verdriet hebben…?’
‘ … zou Ik dan geen verdriet hebben om Nineve, die grote stad, waar meer dan honderdtwintigduizend mensen wonen die het verschil tussen links en rechts niet eens kennen, en dan nog al die dieren?’(Jona 4:11 NBV21).
Ik moet vaak aan die vraag denken wanneer ik de Antwerpse ring oversteek en van een van de bruggen naar beneden kijk.
Honderdtwintigduizend, dat is ongeveer het aantal voertuigen dat op een drukke dag de stad doorkruist, een vijfde daarvan vrachtwagens. Ruw geschat zo’n kwart miljoen passanten - pakweg de hele bevolking van de stad Gent. Zoveel volk, dat krijg ik niet in mijn hoofd.
‘… zou Ik dan geen verdriet hebben…?’. Het is een retorische vraag. Het antwoord wordt niet uitgesproken, maar is onmiskenbaar ‘ja’. De vraag wordt gesteld door dezelfde God die al in het paradijs de mens zoekt (Gen. 3: 9), dezelfde bij wie Abraham in Gen. 18 pleit voor het sparen van de stad Sodom, dezelfde die zegt ‘De dood van een mens geeft Me geen vreugde. Kom tot inkeer en leef!’ (Ez. 18:32), de God. Hij verandert niet. Hij zoekt nog altijd de mens.
Afgelopen zondag mochten we er als gemeente getuige van zijn hoe Hij dat doet, in de levens van Guido, Joël, Suzanna, Laura en Wolf. Zij weten zich gevonden in Jezus Christus, zij zijn met Hem gestorven én opgestaan. Zo vormt deze God Zijn Kerk, waarvan Jezus het hoofd is.
Komende zondag dekt deze God Zijn tafel. Zonder al diegenen die op hetzelfde moment op de Antwerpse ring voorbij zullen razen over het hoofd te zien, biedt Hij de gemeente brood en wijn aan. Dat brood, die wijn, ze bepalen ons erbij dat ook ons leven rust in Jezus Christus. Ze herinneren ons aan Zijn sterven en opstaan, ze blikken vooruit naar de volkomen komst van Zijn Koninkrijk. Ze versterken ons geloof onderweg.
Onze God, Hij is bewogen door het lot van elk van die honderdtwintigduizend mensen. Telkens wanneer we samen rond Zijn tafel staan, mogen we iets zien van hoe wonderlijk Zijn genade werkt in de levens van mensen - in de levens van diegenen die met ons in de kring staan, in ons eigen leven. Mag aan Zijn tafel iets van Zijn bewogenheid gestalte krijgen in ons hart.
Terwijl ik dit schrijf, worden er op het nieuws gaandeweg meer details bekend gemaakt over de verschrikkelijke brand die vandaag woedde in een appartementsgebouw op de Linkeroever. Door mijn open raam waait het constante geraas van de ring naar binnen. Het wordt doorsneden door huilende sirenes.
Zou deze God dan niet begaan zijn met, niet mee lijden met, geen verdriet hebben om deze mensen die naar Zijn beeld gemaakt zijn? Ook dit is een retorische vraag. Ze zijn hem even dierbaar als Zijn gemeente in Antwerpen die zondag aan Zijn tafel staat. Even dierbaar als die honderdtwintigduizend Ninevieten.
Hij heeft ons allemaal zo lief dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft.