À la mer
We wandelen op een leeg strand. Voorbij de duinen snijdt een koude wind dwars door alle kleren heen. De regen wringt zich geduldig door de waterafstotende bovenlaag van onze jassen heen. Zwermen vogels dansen ongehinderd door de kou onder de lage, grijze wolken. Het ruisende water van de zich terugtrekkende zee een onbestemde kleur tussen grijs, groen, bruin en blauw in. In de luie golfslag van de eb wervelen schelpen, stenen, stukjes hout, afval, hier en daar een haaientand voor wie aandachtig genoeg kijkt. Sporen van vele levens.
Een blik op de kaart wekt de indruk dat de Noordzee een kleine zee is, maar hier, op het strand, is hij enorm. Uitgestrekt en machtig. Zo op het strand staan, met de voeten in het water, het relativeert veel. De volle agenda, de drukte van het leven, de onbeantwoorde vragen, het verdriet en de vreugde; al die dingen die zo vaak zo urgent de aandacht opeisen: ze krijgen, even, een ander gewicht. Het werk van Gods hand, het is zo groots.
Daags na de wandeling stuit ik op psalm 95. Daarin lees ik:
4 Hij houdt in zijn hand de diepten der aarde,
de toppen van de bergen behoren Hem toe,
5 van Hem is de zee, door Hem gemaakt,
en ook het droge, door zijn handen gevormd.
Als vanzelf loopt deze reflectie op de grootheid van Gods werk en Zijn heerschappij erover uit op een oproep tot aanbidding.
6 Ga binnen, laten wij buigen in aanbidding,
knielen voor de HEER, onze maker.
Omgekeerd spreekt ook God zelf over Zijn almacht aan de hand van het beeld van de zee. Vertrekkend van dit beeld zendt Hij ons uit - en tegelijk bevestigt Hij dat Hij er bij is, dat Hij voor ons zorgt, dat Hij onze hele wereld vasthoudt en dat we bij Hem horen.
15 Ik, de HEER, jullie God,
die de zee opzweep, zodat de golven bruisen,
wiens naam is HEER van de hemelse machten,
16 Ik leg je mijn woorden in de mond
en bescherm je met de schaduw van mijn hand,
Ik die de hemel geplant heb
en de aarde gegrondvest,
die tegen Sion zeg: ‘Mijn volk ben jij.’ (Jes. 51: 15 - 16)