‘Te veel, te weinig ’
Deze zomer leerden we iets over water dat we liever niet geleerd hadden. Je kunt sterven omdat er te weinig van is. En je kunt sterven omdat er te veel van is.
Bij ons was er te weinig. Denk aan het gras in het Rivierenhof dat zo geel was als stro. Rivieren zakten tot een extreem laag peil. Drie hittegolven. Wekenlang bijna geen regen. Waarschijnlijk was dit de warmste zomer sinds we in dit land meten, en dat doen we al sinds 1833.
En terwijl wij aan het bijkomen waren van de hitte, gebeurde vorige week in Nepal het omgekeerde. Hoog in een dal kwam een gletsjer naar beneden. IJs, rots, modder, water. Een muur die door het dal denderde en in een paar minuten hele dorpen wegveegde. Honderden doden en honderden vermisten. Mensen zoals jij en ik die 's ochtends opstonden en tegen de middag hun huis, hun spullen en hun kinderen kwijt waren.
Hetzelfde water. Hier te weinig, daar te veel. En op allebei de plekken mensen die er niets aan konden doen.
Het bijzondere is: de Bijbel kent die twee angsten allebei, en heeft bij allebei een gebed.
Psalm 69 is het gebed van iemand die kopje onder gaat. 'Het water staat mij aan de lippen'. Ik zak weg in de modder en ik voel geen bodem. Wie ooit een tijd meemaakte waarin alles tegelijk kwam - de uitslag van de dokter, het ontslag, psychisch lijden, dat telefoontje midden in de nacht - kent dat gebed van binnenuit.
Psalm 42 is precies het omgekeerde. Dat is het gebed van iemand die uitdroogt. ‘Zoals een hert dat smacht naar water’. Dat zijn woorden die te maken hebben met stille dorst. Je geloof is niet weg, het droogt op. Je komt nog gewoon op zondag, maar het ‘gras in jou’ is geel geworden, en je weet misschien niet eens precies wanneer dat begonnen is.
Wat mij troost: in geen van deze twee psalmen legt God iets uit. Hij vertelt niet waarom het water te hoog staat, en ook niet waarom het niet regent. Er staat iets anders. Er staat een naam.
Bij de profeet Jeremia noemt God zichzelf de Bron van levend water. En zijn verwijt is niet dat de mensen te weinig hun best doen. Zijn verwijt is dat ze hun eigen put zijn gaan graven. Een put met een barst erin. Die loopt gewoon leeg. Daar zijn wij in dit land erg goed in geworden.
En dan denk ik aan Jezus. Hij liet zich dopen in de Jordaan: kopje-onder, zoals in Psalm 69. En aan het kruis zegt Hij: Ik heb dorst. God is niet aan de kant blijven staan kijken. Hij is het water in gegaan. Aan allebei de kanten.
En juist Hij is het die zegt dat wie gelooft en drinkt van het water dat Hij geeft, nooit meer dorst zal krijgen, en leven zal, ook al is hij gestorven.
Het is inmiddels alweer september. De vakantie is voorbij, onze agenda’s lopen weer vol, veel activiteiten beginnen opnieuw. Het is verleidelijk om een nieuw seizoen te openen met grote woorden. De Heere Jezus houdt het klein. Een beker koud water, zegt Hij, voor iemand die dorst heeft. Daar begint het.
Dus: bel bij die buurvrouw eens aan, waarvan je vermoedt dat ze last had van de hittegolven. Geef iets voor Nepal, ook al is het ver weg en voelt het als niets. En vooral: drink iedere dag uit de Fontein van levend water, want een mens kan niet droog blijven staan.